Organische gebiedsontwikkeling in Den Haag

 

De Binckhorst is een binnenstedelijk bedrijventerrein in Den Haag. De gemeente Den Haag heeft besloten voor o.a. dit terrein voor organische gebiedsontwikkeling te kiezen in plaats van een grootschalig herstructurering via een masterplan. Ze hebben wel een actieve rol in de aanleg van de Rotterdamse baan, want het verbeteren van de infrastructuur wordt nog steeds  een taak voor de gemeente gevonden. De verdere herontwikkeling van het gebied gaat in samenwerking met de markt.

Het KEI-kenniscentrum heeft een partnerbijeenkomst georganiseerd op 21 september 2011 met als thema: Natuurlijke gebiedsontwikkeling in de Binckhorst, hoe pak je zoiets aan?

Door middel van workshops, lezingen en de ‘stadssafari’ op diverse locatie’s ontstaan er discussie’s over verschillende onderwerpen als gebiedsmarketing, tijdelijk gebruik, duurzame gebiedsontwikkeling, co-productie, faciliteren, katalyseren, nieuw ondernemerschap en innovatieve financiering.

 

Rol van de gemeente

Een ander belangrijk discussie onderwerp was de rol van de gemeente in organische gebiedsontwikkeling. Onder organische gebiedsontwikkeling wordt door de gemeente Den Haag verstaan: ‘Organische ontwikkeling staat voor een ontwikkeling die zijn eigen weg zoekt en niet voorspelbaar is. Een ontwikkeling die drijft op ideeën en initiatieven van marktpartijen en ondernemers en waarin spontane, onverwachte en avontuurlijke ondernemingen moeten leiden tot het uiteindelijke doel’.

Bij organische gebiedsontwikkeling wordt vooral ontwikkeld op kavelniveau in plaats van op gebiedsniveau. Dat geldt ook voor het bestemmingsplan, voor de Binckhorst wordt er per ontwikkeling een projectbesluit genomen. Er worden dus vooraf geen functies aan bepaalde delen van het gebied toegewezen. Op deze manier is het lastig om in een gebied als de Binckhorst wonen te realiseren, vooral als bepaalde bedrijven niet weg gaan (vooral m.b.t. milieuregels), maar dat is een bewust gekozen consequentie omdat er geen geld is om het gebied meer sturend aan te pakken. Wel kunnen er stimulerende maatregelen worden opgenomen, waarbij als voorbeeld wordt genoemd Barcelona 21: als een ontwikkeling voldoet aan de duurzaamheidseisen van de gemeente dan mag er een extra laag op het gebouw komen, anders mag dat niet.

Ook flexibiliteit is belangrijk voor het goed verlopen van organische gebiedsontwikkeling. Als er een tijdelijk initiatief is voor 10 jaar dat niet in het eindbeeld voor het gebied past, maar dat wel een stap voorwaarts is, dan moet daar positief op gereageerd worden. Er moet niet te star aan het uiteindelijke doel vastgehouden worden.

Een van de deelnemers gaf een voorbeeld uit de gemeente Deventer. Daar is er voor het Havenkwartier na veel moeite uiteindelijk vastgesteld door de raad dat een aantal beleidsnota’s niet voor dat gebied geldt zodat er daarin wat meer flexibiliteit/ruimte is. Ambtenaren krijgen politieke ruimte om servicegericht en pro-actief mee te denken. Er is voor dat gebied ook een flexibel bestemmingsplan en de gemeente heeft een klantbegeleider om mensen door alle beleidsprocessen te leiden. In deze gemeente heeft de gemeente dus een faciliterende rol.

In de discussie gaat het vooral over de nieuwe rol die de gemeente in organische gebiedsontwikkeling kan kiezen:

  • Beleid/regelgeving bepalen en dan afwachten wat er (uit de markt) aan initiatieven komt. Dit vraagt minder geld en inzet van de gemeente maar biedt ook minder mogelijkheden om op kwaliteit te sturen.
  • Netwerkorganisatie: proberen zo veel mogelijk initiatieven te horen en die zo goed mogelijk combineren en elkaar laten versterken. Dit geldt ook binnen de gemeente, bijvoorbeeld onderhoud door de gemeente van een gebied combineren met een nieuw initiatief. Dit vraagt in eerste instantie meer geld en inzet, maar zou later meer moeten opleveren.De tip is dit soort informatie binnen de gemeente ook te halen bij de afdeling Vergunningen. Zij weten welke aanvragen er bij de gemeente binnenkomen. Dit helpt bij het op de hoogte blijven van wat er speelt in de stad, wat de trends zijn en waar de markt mee bezig is.

Grootste valkuil voor de nieuwe aanpak is dat wanneer er iets ‘fout’ gaat de verantwoordelijkheid nog steeds bij de gemeente wordt neergelegd, terwijl het initiatief en de ontwikkeling door de markt gedaan worden. Een ander aandachtspunt is dat er juist verlamming optreed en er helemaal niets gebeurt.

 

Samenwerken

Joost Beunderman sluit met zijn verhaal de dag af. Hij gaat vooral in op de civic economy, waarbij de rol van de markt/burger belangrijk is. Hij werkt vanuit Londen neemt ons mee in de Anglo-Saksische  trend. Volgens Joost kan de overheid hier het beste aan bijdragen door te samenwerken en te ondersteunen. Vaak in kleinschalige vorm, door het aanbieden van huisvesting, versoepelen van regels etc., grote subsidies zijn hier niet voor nodig.

Aan de markt overlaten (organische gebiedsontwikkeling) betekent niet dat de overheid niets doet. De meest succesvolle voorbeelden uit het boek dat Joost Beunderman heeft samengesteld, Compendium for the civic economy, heeft de overheid vaak een actieve rol, maar anders dan voorheen:

  • Meedelen in de risico’s als marktpartijen/bewoners, co-investeren in sociaal kapitaal, samenwerken en niet tegen werken.
  • Initiatieven helpen opstarten door het niet commercieel te belasten maar als sociaal-maatschappelijk omdat het een groter belang dient.
  • Verschillende partijen en initiatieven bij elkaar brengen, omdat de overheid daar de contacten/kennis voor heeft.
  • Opstarten/steun geven aan crowdsourcing/ wisdom of the crowd (het stellen van vragen die door de massa opgelost worden, als er maar genoeg mensen over nadenken komen er vanzelf oplossingen naar voren) bijvoorbeeld via internet. En er in ieder geval niet vanuit gaan dat je als overheid altijd alles zelf op moet/kunt lossen. Gebruik de inzet van de burgers.
  • Durven: accepteren dat experimenten verkeerd kunnen gaan en dan de negatieve kritieken maar voor lief nemen.

Dit sluit aan bij een recent onderzoek van Evelien Tonkens en Imrat Verhoeven van de UvA naar bewonersinitiatieven middels buurtbudgetten in 24 Amsterdamse buurten. Zij geven daarin aan dat er hierbij een andere rol is voor professionals bij de overheid: “De kunst van de ondersteuning van bewonersinitiatieven schuilt er in, goed te kunnen inschatten wanneer krachtige ondersteuning nodig is en wanneer een klein zetje of juist even loslaten geboden zijn, en om daar vervolgens heel flexibel op in te gaan. Voor de verdere ontwikkeling van het partnerschap komt het naast die flexibiliteit aan op:

  • hulp bij het leggen van verbindingen met andere (groepen) bewoners en initiatieven;
  • hulp bij bureaucratische vereisten;
  • het bewaken van de procedures en verantwoording en
  • proberen ongelijkheid in de participatie tegen te gaan.”

Samengevat is het voor overheid en markt/burgers van belang  om samen dingen mogelijk te maken die anders niet te realiseren zijn.